Hoofdstuk 3: De organisatie van het onderwijs

 

?

Schoolmodel

De school werkt volgens een model dat is ontstaan vanuit het leerstofjaar­klassensysteem en heeft daar nog kenmerken van. Bij het leerstofjaarklassen­systeem werd vooral gewerkt vanuit de veronderstelling dat alle kinderen evenveel leerstof verwerken. De leerstof stond centraal. In onze huidige werkwijze zijn de kinderen ook verdeeld in vaste groepen. De school is klassikaal georganiseerd. Bij de verandering die we doormaken, stellen we steeds meer het kind centraal. Dit wil zeggen dat er rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van het kind bij de uitvoering van de onderwijsdoelen. Het onderwijs past zich aan. Wie goed kan leren, krijgt extra uitdagende opdrachten. Kinderen die problemen ervaren met het basisprogramma, krijgen geplande hulp. Ook krijgen de kinderen meer of minder instructie al naargelang hun mogelijkheden.

Op deze manier houden we rekening met goede en zwakke leerlingen. De vakken taal, lezen en rekenen behoren tot de basisvaardigheden en vormen de basis voor elke andere ontwikkeling. Daarom legt onze school nadruk op deze vakken.

In groep 1/2 zitten 4-, 5-, en 6-jarigen bij elkaar. We noemen dat heterogene groepen. Door de manier van werken leren kinderen heel veel van elkaar. Op deze leeftijd gebeurt dat vooral tijdens het spel.

 

Hoe wordt er gewerkt?

In de onderbouw werken we volgens de principes van basisontwikkeling. In de bovenbouw geven we gestalte aan adaptief onderwijs.

 

De onderbouw: basisontwikkeling

Een kleuter moet veel leren, maar we spreken liever van ontwikkelen. Het gaat om een brede ontwikkeling. De kleuterperiode is daarom van heel groot belang voor de verdere schoolloopbaan. Een kleuter ontwikkelt zich het beste tijdens spelactiviteiten.

De leerkrachten observeren door te kijken en te luisteren naar het spel en het werk van de kleuter. Voelt het kind zich veilig en geborgen? Heeft het kind zelfvertrouwen? Is het kind wel nieuwsgierig? Het gaat hier over belangrijke basisvoorwaarden.

Vaak werken we met thema's die aansluiten bij de belevingswereld van de kin­deren. Daarbij zijn de drie B's van essentieel belang:

betrokkenheid, betekenis en bedoeling.

 

 

We weten dat kinderen zich alleen maar goed kunnen ontwikkelen als ze Betrokken zijn en als datgene dat ze doen Betekenis voor hen heeft. Tijdens het spel zijn de kinderen betrokken en geven ze betekenis aan de dingen die ze doen. Door de juiste begeleiding weet de leerkracht zijn/haar Bedoelingen te realiseren. De leerkracht weet nauwkeurig wat op dat moment haalbaar is. Op deze wijze, geheel passend bij de manier waarop jonge kinderen zich ontwikkelen, wordt er op onze school met de kleuters gewerkt. Het spel van de jonge kinderen geeft de beste kansen voor leren. Door het observeren en het bijhouden van een logboek weten de leerkrachten precies wat ze moeten doen. Iedere dag en/of week opnieuw wordt bepaald welke activiteiten en materialen er nodig zijn en welke thema's de belangstelling hebben. In de eigen klas worden 's ochtends en 's middags vanuit kringactiviteiten het werken en het spelen opgestart. Er wordt gespeeld en gewerkt aan tafels, in hoeken, in de verwerkingsruimte, in de speelzaal en op het schoolplein. Door de flexibele wanden hebben we de mogelijkheid om letterlijk klassendoorbrekend te werken. We hebben een taal/lees/rekenlokaal, een motoriek/ontdeklokaal en een constructie/bouw/crealokaal. De lokalen zijn ingericht met materialen die bij de betreffende activiteiten horen. De kinderen werken dus niet altijd in hun eigen lokaal. Vaak worden er speciale hoeken ingericht naar aanleiding van thema's. De kinderen krijgen veel individuele begeleiding. Als de ontwikkeling niet verloopt zoals we verwachten, werken we met hulpplannen. We zien "de drie B's" als uitgangspunt voor het onderwijs in alle groepen. De leerkrachten van de groepen 3 en 4 werken ook in toenemende mate op deze manier. Het groepsdoorbrekend werken passen zij vooral tijdens het kiesuur toe.

 

 

De bovenbouw: adaptief onderwijs 

We spreken van adaptief onderwijs, als het onderwijs zich aan de behoeften en mogelijkheden van de kinderen aanpast. Bij het adaptief onderwijs zijn 3 principes belangrijk: competentie, autonomie en relatie. Kinderen willen zich graag competent of bekwaam voelen: ze willen laten zien dat ze al een heleboel kunnen. In bepaalde gevallen willen ze onafhankelijk of zelfstandig aan de slag met opdrachten, omdat ze het gevoel hebben dat zelf te kunnen. Voor kinderen is de relatie met de leerkracht en met klasgenoten van groot belang bij het leren. Juist door middel van die contacten leren ze. De leerkracht probeert zijn werkwijze op deze principes af te stemmen door actieve werkvormen te kiezen die de kinderen motiveren om te werken. Kinderen reageren op het onderwijsaanbod door: onderzoeken, luisteren, meedoen, nadoen, meepraten, verwerken, oefenen, herhalen, samenwerken en spelen. Het geleerde wordt getoond door reproduceren, presenteren, voordoen, toepassen, creatief bewerken, toneelspel en tentoonstellen.

In een groep kunnen de leerlingen met verschillende activiteiten bezig zijn of met andere leerstof. De eisen die aan de leerlingen gesteld worden, zijn vaak verschillend. Bepaalde kinderen volgen de minimumleerstof, terwijl andere kinderen juist extra taken krijgen en verrijkingsstof. Naast instructie zijn samenwerkend leren en zelfstandig werken belangrijke activiteiten in de groep.

In de bovenbouw is een begin gemaakt met thematisch werken. Hierbij staat een bepaald thema centraal. Niet een vakgebied staat centraal, maar het thema. De kinderen en leerkrachten verkennen het thema gezamenlijk. Allerlei aspecten komen dan aan bod, maar er wordt gezocht naar de samenhang. Het vergt van de leerlingen meer initiatief, maar biedt ook gelegenheid om de eigen leerweg meer inhoud en vorm te geven. Steeds meer werken de leerkrachten aan de hand van een groepsplan. Daarin kijkt de leerkracht per vakgebied goed naar de behoefte van ieder kind voor een aantal weken. Vervolgens stellen we het groepsplan op, waarbij de groep in niveaugroepen wordt ingedeeld. Iedere groep heeft een eigen aanpak nodig. Na een bepaalde periode evalueren we het plan en maken we een nieuwe planning voor de komende periode.

 

Groepsdoorbrekend werken

In het schooljaar 2008-2009 hebben wij ervaringen opgedaan met groeps­doorbrekend werken. Dit houdt in dat leerlingen van verschillende groepen gezamenlijk aan het werk zijn onder begeleiding van een leerkracht. Deze manier van werken geeft voor een andere leerkracht ruimte om kinderen individueler te begeleiden. We passen deze manier van werken steeds meer toe.

 

Groepsgrootte

Als de formatie het toelaat, streven we naar een groepsgrootte van ongeveer 25 leerlingen. De groepsgrootte is mede afhankelijk van de financiële middelen die de overheid beschikbaar stelt. De school mag de verdeling van de leerkrachten over de groepen naar eigen inzicht invullen. We streven naar groepen met minder dan 30 kinderen.

 

Combinatiegroepen

Afhankelijk van het aantal leerlingen per leerjaar maken we soms combinatie­groepen. Leerlingen uit verschillende leerjaren vormen dan samen een groep. Dit jaar hebben we op school een groep 4/5 en een groep 7/8. In de kleutergroepen zitten de 4-, 5- en 6-jarigen altijd bij elkaar.

 

Zittenblijven/doorstromen 

Af en toe komen we tot de conclusie, dat een kind meer tijd nodig heeft om zich op alle gebieden te ontwikkelen. Lichamelijk, verstandelijk, sociaal en emotioneel. Soms nemen we in overleg met de ouders het besluit om de kleuterperiode te verlengen. Het doel van de kleuterperiodeverlenging is, dat het kind daarna de basisschool gewoon kan doorlopen.

Succesvol doorlopen van groep 3 lukt pas als een kind hieraan toe is. In uitzonderingsgevallen is het verstandig om kinderen in de groepen 3 en 4 meer tijd te geven voor die totale ontwikkeling. De school werkt aan een goede basis, waardoor zittenblijven in de bovenbouw vrijwel niet meer nodig is. Daarom maken we voor sommige kinderen de afspraak om in een bepaald vak met een aangepast programma te werken. Ouders worden hierbij altijd betrokken.

Er zijn ook kinderen die zich de leerstof snel eigen maken. Zij hebben minder tijd nodig om het programma af te werken. Als ook de sociaal-emotionele ontwikkeling voortvarend verloopt, stellen we aan ouders voor om eventueel een klas over te slaan. Als dit dan vervolgens ook gebeurt, zorgen we voor een goede instroom in de nieuwe groep, waarbij we tijdelijk extra ondersteuning bieden aan deze kinderen.

 

Huiswerk

Hoewel het ons standpunt is om kinderen vanaf groep 1 tot en met 5 zo weinig mogelijk te belasten met huiswerk, wordt in sommige gevallen toch huiswerk meegegeven. Het zijn vooral extra oefenactiviteiten.

We willen echter de kinderen die met bepaalde vakken moeite hebben niet nog eens extra belasten. Dat kan afkeer tegen het leren oproepen en het gaat ten koste van de motivatie. Extra hulp dient op school gegeven te worden. Thuis moeten de kinderen gelegenheid hebben om te spelen. Voor hun ontwikkeling is dat waardevol en bovendien kunnen ze dan hun energie kwijt.

Vanaf groep 6 starten we als voorbereiding op het voortgezet onderwijs met huiswerkbegeleiding. In groep 7 en 8 wordt het huiswerk uitgebreid. We leren de kinderen hoe ze een planning moeten maken. Ze leren hoe ze schriftelijk werk en proefwerken het beste aan kunnen pakken. Wij juichen uw hulp bij het huiswerk toe, maar vinden wel dat de kinderen zelf de verantwoordelijkheid moeten leren dragen voor hun werk. De kinderen krijgen bijna iedere week huiswerk mee tot 1 juni.